De orgels in de Kerk

 

DE ORGELS IN DE OUDE KERK VAN NAALDWIJK

 15e – 19e EEUW

Al in de 15e eeuw is er sprake van een orgel in de Oude Kerk van Naaldwijk. Een zinsnede in het Cartularium van Naaldwijk op folio 105r uit het testament van Hendrik IV, heer van Naaldwijk van 1445-1496, luidt namelijk: “… men sel op dorgel spelen onder die hogemisse ende beyeren, ende men sel den orgelist geven een stuver, den blaser een halven stuver, den choralen tsamen een stuver ende den beyerman een halve stuver.“

Wie dit orgel heeft gebouwd is onbekend en zekerheid over de plaats van dit orgel in de kerk is er evenmin. Uit verdere gegevens in het testament van Hendrik IV van Naaldwijk zou eventueel de conclusie kunnen worden getrokken dat het orgel zich in het midden van de kerk of op het koor heeft bevonden.

Dit 15e eeuwse orgel zal rond 1540 vervangen zijn door een instrument, gebouwd door de beroemde orgelbouwer Hendrik Niehoff. Hoewel hierover in Naaldwijk tot heden geen gegevens zijn gevonden, blijkt dit uit het contract tussen Hanske van Coelen, kerkmeester van de St.-Nicolaasparochie te Amsterdam (thans de Oude Kerk) en Henrick Niehoff, orgelbouwer te ‘‘‘s-Hertogenbosch. De voorlaatste zin uit dit contract (december 1539) luidt namelijk: “Item noch synt voerwaerde dat dese meesters en sullen anders gheen werck maken voer dit dan twerck tot Scoenhoven ende tot Naeldwyck ende daer nae gheen werck maken noch beghinnen dan dit“.

In 1572 ging de kerk over in protestantse handen en uit alle gegevens over de vernielingen die hebben plaatsgevonden blijkt niet dat het orgel is vernield of grote schade er aan is toegebracht.

Het werd echter niet meer bespeeld. In 1613 werd nog “… een schuift ghemaeckt opt het orghel“ en in 1663 werd het orgel met plankwerk bekleed: “…beschieten vant orgel aldaer, gedaen door ordre van d‘heer Bailliu ende kerckmrs. tot Naeldwijck voorn. inden jare 1663“. Ook is in datzelfde jaar het orgel geschilderd, hetgeen blijkt uit de volgende zinsnede: “Den heere bailliu ende kerckmeesters der heerlijckheijt Naeldwijck ordonneeren de Rentmeester Balthasar van der Hoijkens te betalen aen Cornelis van der Burch, de somme van vier endertich guldens, bij hem verdient int schilderen vant orgel inde kerck tot Naeldwijck…“ (23 april 1663).

In de rekeningen van 1760 tot 1780 vinden we een verwijzing naar de galerij van het orgel, een trap naar het orgel en een ruitje naast het orgel maar nauwkeuriger gegevens over dit orgel en het gebruik ervan zijn tot heden bekend.

In 1819 vinden we voor het eerst plannen voor de bouw van een nieuw orgel. Zo blijkt uit het Gemeentearchief dat op 17 maart 1819 de Gouverneur van Zuid Holland aan de Schout en Gemeenteraad van Naaldwijk een officieel schrijven van de Directeur Generaal voor de Zaken der Hervormde Kerk doet toekomen, aan wie door “predikant en kerkmeesteren der Hervormde Gemeente van Naaldwijk en Hondsholredijk een verzoek 1e  om authorisatie tot het mogen intekenen voor een orgel, 2e om eene bijdrage voor hetzelve“ was gestuurd.

Schout en Gemeenteraad antwoorden dan op 30 maart 1819: “Zo hebben wij de Eer met terugzending van het zelve UH.Ed.Gestr. te berigten, dat wij gaarne willen geloven dat door de Requestranten naar waarheid is gesteld, dat er een betoonde genegenheid in de Gemeente aanleiding heeft gegeven tot het oogmerk van tot meerdere stigting en opwekking een Orgel in hun lieder Kerkgebouw te doen stellen. Overwegende voorts, dat in een zoodanige talrijke Gemeente als die van Naaldwijk het verlangen van dezelve tot het bedoelde einde geenzints kan worden afgekeurd, Zo nemen wij de Vrijheid, U H Ed.Gestr. eerbiedig voor te dragen om het verzoek der 4 requestranten, in hoogst deszelfs wijsheid te willen appuieren (ondersteunen)“.

Uit deze citaten blijkt, dat het toenmalige College van B. & W. zich schaarde achter het verzoek van predikant en kerkenraad voor plaatsing van een orgel. Waarom er daarna nog zo‘n tien jaar moest worden gewacht eer het orgel daadwerkelijk een feit was, is vooralsnog niet duidelijk, maar op 24 maart 1828 wordt het contract voor de bouw van een nieuw orgel, te bouwen door de Utrechtse orgelbouwer Wander Beekes, getekend. In dit contract vinden we nog een zinsnede over het oude orgel: “… het oude orgel doen wegnemen en de torenmuur geschikt te doen maken om het nieuwe orgel tegen te plaatsen…“

HET HUIDIGE GROTE ORGEL

Zoals hiervoor al is vermeld is het huidige grote orgel gebouwd door de Utrechtse orgelbouwer Wander Beekes (1795-1838). Op 24 maart 1828 werd  met de Kerkvoogden het contract voor de bouw getekend.

Wander Beekes ontwierp een orgel met twee klavieren en een aangehangen pedaal, dat veel laat 18e-eeuwse trekken vertoont. Hij had een grote voorkeur voor tertsregisters. Het orgel werd gebouwd in 1830/1831 en gekeurd op 18 februari 1831 door de deskundige J.B. Bremer, organist van de Lutherse Kerk te Rotterdam. In zijn rapport stelt hij dat “hetzelfde in alle opzichten aan het daar van gemaakte bestek voldoet, zijnde het oxaal, de kast en al het uiterlijke met smaak gemaakt,…Het pijpwerk zeer net bewerkt en vlug ter spraak, goed geïntoneerd en in eene goede harmonie gestemd en dus het geheele uit- en inwendige des orgels een fraay voorkomen heeft, en een grondigen toon opleverd”. Verder vermeldt hij dat Beekes alle lof en recommandatie verdient.

Het frontontwerp is geïnspireerd op het orgelfront van de Laurenskerk te Rotterdam, ontworpen door de beroemde 18e eeuwse architect Guidici, waarbij de brede gedeelde middentoren en de smallere zijtorens opvallend zijn. De blinderingen bestaan vrijwel geheel uit eikenblad. De consoles onder de torens zijn gedecoreerd met gestileerd acanthusblad. Fraai zijn de beide rijk versierde vleugelstukken met hun grote variëteit aan muziekinstrumenten. Op de middentoren een David met harp, op de zijtorens engelen met muziekinstrumenten.

Mede door de vroege dood van W. Beekes is het orgel van Naaldwijk het grootste orgel dat hij heeft gebouwd.

In de 19e eeuw blijft het instrument ongewijzigd, maar in de eerste helft van de 20e eeuw ontstaat steeds meer de behoefte om het orgel aan te passen aan de heersende smaak. Restauraties vinden plaats in 1924, 1935 en 1940 door resp. E.F. Walcker, A. Standaart en H. Vermeulen.

Op instigatie van Gerard Bal en onder adviseurschap van prof. dr. M.A. Vente vindt in de jaren 1974/1975 een uitgebreide restauratie plaats door de Orgelmakers L. Verschueren B.V. te Heythuysen, waarbij dispositiewijzigingen van vorige restauraties ongedaan werden gemaakt en het orgel weer in de vrijwel oorspronkelijke staat werd hersteld, slechts de gemshoorn 2’ werd opgeschoven tot een quintfluit 1 1/3’, er kwam een koppeling Pedaal-Bovenwerk en er werd een nieuw vrij pedaal toegevoegd.

 

De huidige dispositie is als volgt:

 Hoofdwerk:                                                             Bovenwerk:

1. Prestant 16’ disc. (1830)                             13. Viola di Gamba 8’ (1975)

2. Bourdon 16’ (1830)                                     14. Holpijp 8’ (1830)

3. Prestant 8’ (1830)                                       15. Fluit travers 8’ disc. (1830)

4. Holpijp 8’ (1830)                                         16. Quintadeen 8’ (1830)

5. Octaaf 4’ (1830)                                          17. Prestant 4’ (1830)

6. Fluitgedekt 4’ (1830)                                   18. Roerfluit 4’ (1830)

7. Octaaf 2’ (1830)                                          19. Woudfluit 2’ (1830)

8. Mixtuur 2’ IV-V st. Bas/disc. (1830)              20. Quintfluit 1½’ (1830/1975)

9. Sexquialter III st. Bas/disc. (1830/1975)       21. Carillon III st. disc. (1830)

10. Cornet V st. disc. (1830/1975)                     22. Vox humana 8’ (1975)

11. Fagot 16’ (1975)

12. Trompet 8’ Bas/disc. (1830)                       Pedaal:

23. Subbas 16’ (1975)

24. Bazuin 16’ (1975)

25. Trompet 4’ (1975)

Overige registerknoppen:                                              

26. Manuaalkoppel Bas/disc.                                   

27. Pedaalkoppel - Hoofdwerk

28. Pedaalkoppel - Bovenwerk

29. Tremblant Generaal

Stemming: “in gelijk zwevend temperatuur, den zoo genoemden Consarttoon”.
Omvang manualen: C - f’’’. Omvang pedaal: C - d’.
 

HET KISTORGEL

Ter gelegenheid van het 40-jarig jubileum als kerkmusicus van Gerard Bal, de cantor-organist van de Oude Kerk van Naaldwijk sedert september 1968, werden door het Actiecomité Oude Kerk middelen bijeengebracht voor de aanschaf van een kistorgel, gebouwd door de Delftse orgelbouwer Jacob N. Breetvelt. Het instrument werd op 28 oktober 1999 aan Gerard Bal aangeboden.

Dit kistorgel werd gebouwd in 1989 als opus 10 en heeft de volgende dispositie:

Gedekt 8‘

Roerfluit 4‘

Prestant 2‘

Kwint 1 1/3‘ discant

De manuaalomvang is van C – f‘‘‘, de stemming is evenredig zwevend en het orgel is transponeerbaar: a‘ = 415, 440.

Het orgel bevat uitsluitend houten pijpwerk.

 

Gerard Bal

Februari 2004